Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0204

Datum uitspraak2009-01-22
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers23-004772-08
Statusgepubliceerd


Indicatie

Diefstal met bedreiging met geweld. Verweer gevoerd dat gelet op het bewijs niet is uit te sluiten dat een ander dan verdachte het delict heeft begaan. Hof verwerpt het verweer gelet op de zeer gedetailleerde verklaring van de medeverdachte welke ondersteund wordt door overig bewijs, het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van diens verklaring. Toepassing artikel 77b Wetboek van Strafrecht.


Uitspraak

arrestnummer: parketnummer: 23-004772-08 datum uitspraak: 22 januari 2009 TEGENSPRAAK VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 september 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-437609-07 van het openbaar ministerie tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1990], wonende op het adres [adres] Amsterdam. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 september 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2009. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaarde Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 15 november 2007 te Amsterdam, op de openbare weg, het [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen mobiele telefoons, te weten een grijze Samsung E250 en een zwarte Samsung D900 en een zilverkleurige Nokia en een zwarte Samsung E900, toebehorende aan respectievelijk [slachtoffer] en [benadeelde 1], en [benadeelde 2] en [benadeelde 3], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft/hebben aangesproken en die [slachtoffer] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] naar hun identiteitsbewijs heeft/hebben gevraagd en die identiteitsbewijzen heeft/hebben bekeken en een portemonnee van die [benadeelde 2] heeft/hebben doorzocht en die [slachtoffer] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] een vuurwapen heeft/hebben getoond en verdachte en/of zijn mededader een vuurwapen uit zijn jaszak heeft gehaald en (daarbij) gezegd: “als jullie mijn broertje hebben beroofd dan schiet ik jullie allemaal” en verdachte en/of zijn mededader (daarbij) gezegd: “Ik hoop voor jullie dat jullie het niet zijn, want ik knal jullie allemaal hier neer”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Bewijsverweer De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep -zakelijk weergegeven- het verweer gevoerd dat ondanks de aanwezigheid van voldoende wettig bewijs er een alternatieve toedracht mogelijk is, nu de bewijsmiddelen, zoals onder meer de fosloconfrontatie en de kleding van verdachte, niet uitsluiten dat een ander dan verdachte het feit heeft begaan. In het bijzonder geldt dit voor de verklaring van de voor de onderhavige feiten inmiddels onherroepelijk veroordeelde [mededader], die naar het oordeel van de raadsman ten onrechte een de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd teneinde iemand anders te beschermen. Daarbij zijn ter zake van het telefoongesprek dat volgens [mededader] heeft plaatsgevonden tussen hem en verdachte geen gegevens terug te vinden. Aldus dient volgens de raadsman aan diens verklaring geen geloof gehecht te worden. Het hof verwerpt die verweer en overweegt hiertoe als volgt. Gelet op de zeer gedetailleerde verklaring van mededader [mededader], waarin hij ook zichzelf belast en welke ondersteund wordt door de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van diens verklaring. Te meer niet daar het hof niet vermag in te zien waarom die [mededader] ten onrechte een leeftijdgenoot zou beschuldigen, waartoe ook door de verdachte geen aannemelijke verklaring is gegeven. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf en/of maatregel De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het hem tenlastegelegde veroordeeld tot 134 dagen jeugddetentie, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met als bijzondere voorwaarde Reclasseringstoezicht en de Maatregel Hulp en Steun. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft -in samenwerking met een ander- op slinkse wijze medeleerlingen hun gsm afhandig gemaakt. Door te handelen als bewezenverklaard hebben verdachte en zijn mededader het eigendomsrecht van deze leerlingen niet gerespecteerd. Zodoende heeft hij het gevoel van veiligheid op straat in het algemeen aangetast en dat van de slachtoffers in het bijzonder. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 december 2008 is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Hoewel de verdachte ten tijde van het begaan van het hierboven bewezenverklaarde de leeftijd van zestien, doch nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, vindt het hof grond in de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijkheid van de -inmiddels meerderjarige- verdachte, zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, opgemaakt d.d. 23 november 2007 door [getuige-deskundige 3] en het rapport van Bureau Jeugdzorg, opgemaakt d.d. 16 juni 2008 door [getuige-deskundige] en [getuige-deskundige 2], om op de voet van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht de artikelen 77g tot en met 77gg van dat wetboek buiten toepassing te laten en recht te doen overeenkomstig de bepalingen van het meerderjarigenstrafrecht. Het hof acht, alles afwegende, naast een voorwaardelijke taakstraf een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 77b en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte tenlastegelegde. De vordering is in eerste aanleg toegewezen. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden, terwijl de hoogte van de schade onvoldoende weersproken is. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen. Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte tenlastegelegde. Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 365,- zoals aan haar in eerste aanleg is toegewezen. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag (omvattende een s.d. kaartje ad € 25,-, beltegoed en simkaart ad € 40,- en smartegeld ad € 300,-) worden toegewezen. Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer. Beslissing Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven. Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 134 (honderdvierendertig) dagen. Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 40 (veertig) uren. Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 20 (twintig) dagen. Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 (twee) jaren. Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich stelt onder het toezicht van de Reclassering te Amsterdam en zich zal gedragen naar de aanwijzingen die veroordeelde zullen worden gegeven door de Reclassering. Verstrekt aan deze instelling opdracht om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde. Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 2]: Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [benadeelde 2], een bedrag van EUR 340,00 (driehonderdveertig euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil. Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 340,00 (driehonderdveertig euro), zulks ten behoeve van [benadeelde 2]. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft. Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen. Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1]: Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam], een bedrag van EUR 365,00 (driehonderdvijfenzestig euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil. Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 365,00 (driehonderdvijfenzestig euro), zulks ten behoeve van [benadeelde 1]. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 (zeven) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft. Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen. Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.G.W. Willems-Morsink, mr. N. van Wijnen-Vergeer en mr. J.A.M. de Wit, in tegenwoordigheid van mr. K. Oosterhof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2009.